Ik wil wakker worden in een koude novembernacht en dan ontdekken dat het zomer is. Ik wil naar de zon toerennen om dan te voelen dat het regent en erin dansen, op blote voeten. Ik wil neerliggen op een wolk en dan weten dat mijn adem de wind zal zijn. Ik wil lachen en dan tranen op mijn mond proeven. Ik wil ademen en leven maar ook weten dat ik aan het sterven ben, ooit. Ik wil wachten op de dag dat wat en wie ik ben, voorstel, langzaam uit de wereld zal wegglijden en dan weten dat ik eerst zal worden wie ik dan zal zijn. Ik wil het leven proeven en ontdekken. Je mond op mijn lippen gedrukt slapen, je armen om me heen zuchten, je adem proeven en elke millimeter huid aanbidden. Ik wil geloven in alles wat ik doe maar toch onzeker zijn, zodat ik mezelf geen pijn zou doen moest ik vallen. En ik zal zitten, liggen, stappen, wandelen, lopen, rennen, springen, huppelen, leven. Ik wil het oneindige zijn. Het eeuwige, dode, het levende. Het antwoord op alle vragen, het punt na alle zinnen, woorden, letters. Ik zal alles zijn, voor altijd. Onsterfelijk in elke gedaante. En tot ik dit alles bereikt zal hebben, ben ik gewoon Svea.