Het regende en stormde en niemand kon me helpen. Ik stond alleen, in het midden van een eindeloos grasveld, met geen enkel afdak in de buurt waaronder ik kon schuilen. De regendruppels vermengden zich met mijn tranen, want alles wat ik nog over had was mezelf. Ik was niets meer, ik kon niets meer alleen. Het waren enkel dode dagen, die me toen restten. Ik had geen wegen, geen kruispunten om uit te kiezen welke kant ik op zou gaan. Ik kon alleen maar rechtstaan. Er was niemand die m'n hand vastnam of me een blik waardig gunde. De anderen waren net schimmen, die door me en naast me liepen. Ik was onzichtbaar voor het leven. Dit was nog erger dan dood zijn. Ik was oneindig ver weg en jij was zo dichtbij maar ik kon je niet aanraken. Na lang wachten op je, hopen dat het over zou gaan, besloot ik mijn voeten op te heffen en voorzichtig voort te stappen. Die tijd was zo zinloos. Dus ik vocht mij een weg door de mist en de regen, met een gebroken hart en alleen mezelf om op te vertrouwen. Ik liep gewoon rechtdoor, want ik wist niet waarheen. Na minuten, dagen, weken, maanden eindeloos ver weg stappen, lopen, rennen, zag ik een lichtpunt in de verte. De mist klaarde op en mijn haar lichtte op door de zon die door de wolken probeerde te breken. De regen, die overgegaan was naar motregen, was weg. Het enige wat nog restte was dauw. Op de bladeren, het gras, spinnewebben in bomen. Kleine zachte druppeltjes was het enige bewijs van de storm die ervoor woedde. Ik ben er nog niet, ik blijf nog voort zoeken en stappen, maar het regent niet meer en ik loop enkel nog op het dauw onder m'n voeten. En ooit, geloof me, zal ik bij het licht zijn en ook het dauw achter me laten. Dauwdruppels.
